Wanneer ben ik belastingplichtig?

Een natuurlijk persoon kan op twee manieren belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting, te weten:

  1. als hij/zij in Nederland woont en dus binnenlands belastingplichtige is;
  2. als hij/zij in Nederland een bron van inkomen heeft en dus buitenlands belastingplichtige is.

Het onderscheid is van essentieel belang omdat:

  • de binnenlands belastingplichtige is onbeperkt belastingplichtige en wel over zijn/haar totale wereldinkomen;
  • de buitenlandse belastingplichtige is in Nederland  slechts belasting verschuldigd over de vruchten genoten uit de een Nederland gelegen bron en daardoor dus beperkt belastingplichtig.

Kort gezegd: iemand die in Nederland woont is belastingplichtig over zijn gehele wereldinkomen, terwijl de buitenlandse belastingplichtige in Nederland slechts belasting verschuldigd kan zijn als hij in Nederland een bron van inkomen heeft.

Hoe wordt de fiscale woonplaats vastgesteld?

Om vast te kunnen stellen in welk land iemand binnenlands (onbeperkt) belastingplichtige is dient allereerst zijn/haar fiscale woonplaats bepaald te worden. In artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is daartoe bepaald:

Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld

Met andere woorden waar iemand zijn fiscale woonplaats heeft dient volgens de Nederlandse belastingwetgeving bepaald te worden op basis van de feitelijke omstandigheden. Op grond van vaste rechtspraak is voor de beoordeling van belang waar het centrum van iemands persoonlijke belangen is gelegen (met welk land worden duurzame banden onderhouden, ofwel in welk land ligt het centrum van de levensbelangen van iemand). Bij deze beoordeling spelen onder andere de volgende factoren een rol:

i.     de plaats waar een woning ter beschikking staat;
ii.    de plaats waar arbeid wordt verricht;
iii.   de plaats waar het gezin verblijft;
iv.    de plaats waar bankrekeningen worden aangehouden;
v.     telefoonabonnement en internetaansluiting;
vi.    lidmaatschap van verenigingen en dergelijke;
vii.   abonnementen op kranten/tijdschriften;
viii.  de plaats van inschrijving in het bevolkingsregister;
ix.    de nationaliteit.

Welke bronnen kent de Wet op de inkomstenbelasting?

In de Wet IB 2001 is bepaald dat inkomstenbelasting geheven wordt uit 3 bronnen. Deze bronnen zijn:

i.     belastbare inkomsten uit werk en woning (Box 1);
ii.    belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang (Box 2);
iii.   belastbare inkomen uit sparen en beleggen (Box 3).

BOX 1 (inkomen uit werk en inkomen)

In Box 1 is belast inkomsten uit werk, eigen woning, winst uit onderneming, alsmede resultaat uit overige werkzaamheid.  Inkomsten uit werk en inkomen worden in Box 1 als volgt belast:

belastbaar inkomen 0  tot en met € 20.142                :     36,55%
belastbaar inkomen € 20.142 tot en met € 33.994   :     40,85%
belastbaar inkomen € 33.994 tot en met € 68.507  :     40,85%
belastbaar inkomen € 68.507  —-   onbeperkt          :      51,95%

BOX 2 (Aanmerkelijk- belangheffing)

Indien een persoon die (eventueel met zijn/haar fiscale partner) ten minste 5% of meer van het nominaal gestorte kapitaal van een BV bezit heeft hij/zij een aanmerkelijk belang in de vennootschap. De aanmerkelijk belang regeling betreft een speciaal belastingregime en heeft als doel natuurlijke personen die aandeelhouders zijn en die wegens de omvang van hun aandelenbezit een beslissende invloed op de dividendpolitiek van de BV hebben, te kunnen belasten voor in de BV opgepotte winsten. De in een BV gereserveerde winsten beïnvloeden immers de waarde van de aandelen. De aanmerkelijkbelangheffing (box 2) bedraagt 25%.

BOX 3 (voordelen uit sparen en beleggen)

In Box 3 worden de voordelen uit sparen en beleggen dus inkomen uit vermogen belast. Echter, niet het werkelijk behaalde rendement, maar een fictief rendement wordt belast. Box 3 kent voor de berekening van de hoogte van het aan te geven fictief rendement 3 schijven. De rendementsregeling van Box 3 is gebaseerd op de veronderstelling dat een belastingplichtige een hoger rendement behaalt op zijn vermogen naarmate hij meer vermogen heeft en dat bij een substantieel vermogen meer zal worden belegd dan gespaard.

Het in Box 3 te belasten rendement wordt op een forfaitaire wijze berekend op basis van onderstaande tabel.

Grondslag           Netto-vermogen          Percentage         Tarief

Schijf 1                     Tot € 70.800

Rendementsklasse  sparen                             67%                0,36%

Rendementsklasse investeringen                   33%               5,38%

Schijf 2                    € 70.800 – € 978.000

Rendementsklasse  sparen                                21%              0,36%

Rendementsklasse investeringen                    79 %             5,38%

Schijf 3                   > € 978.000

Rendementsklasse sparen                                    0%             0,36%

Rendementsklasse investeringen                  100%              5,38%

Het volgens bovenstaande tabel en schijven berekende fictief rendement is belast met 30% inkomstenbelasting. De grondslag sparen en beleggen (het bedrag waarop bovenstaande tabel wordt losgelaten) is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen (€ 25.000). Heffing in Box 3 is vanwege de forfaitaire regeling aantrekkelijker te noemen omdat niet de werkelijke netto-inkomsten belast worden. Bovendien zijn ook vermogenswinsten (lees: verkoopwinst wegens waardestijging) niet belast.

Wanneer een particulier een pand verhuurt als belegging (het niet op professionele wijze verhuren van woningen), dan is de hoofdregel belastingheffing in Box 3. Voor een particulier/niet ondernemer is belastingheffing in Box 3 vanwege deze forfaitaire regeling aantrekkelijk omdat niet de werkelijke huurinkomsten belast worden. De forfaitaire regeling is gunstig te noemen, doordat de belastingdruk over het fictieve rendement soms wel 2 à 3 keer zo laag is dan het geval is als de daadwerkelijk huurinkomsten in box 1 zouden worden belast. Resultaat bij verkoop (winst of verlies) heeft geen gevolgen voor de belastingheffing in box 3. In Box 1 is de verkoopwinst wel belast. Het verdient derhalve de voorkeur om de verhuuractiviteiten van een particulier altijd als een Box 3 activiteit (dus beheer) aan te merken.

Let Op!

Indien het beheer van een vastgoedportefeuille meer het karakter heeft van een bedrijfsmatige activiteit dan zou wellicht sprake kunnen zijn van meer dan normaal vermogensbeheer en dus het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel aan een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3:91, lid 1, onder c van de Wet IB 2001. Daarvan is onder meer sprake indien naast de verhuuractiviteiten arbeid wordt verricht om een meer dan normaal rendement te kunnen realiseren.

Meer weten? Bel of stuur een e-mail?