De heffing van erfbelasting en schenkbelasting.

Erfbelasting wordt geheven over al hetgeen iemand ‘krachtens erfrecht’ verkrijgt van iemand die ten tijde van zijn overlijden in Nederland woonde. Belastingplichtig is de erfgenaam of de legataris.

Schenkbelasting wordt geheven over al hetgeen door schenking wordt verkregen van iemand die op het tijdstip van schenking in Nederland woonde. Onder een schenking wordt elke bevoordeling uit vrijgevigheid verstaan. Belastingplichtig is de begiftigde.

Het belastingtarief voor de erfbelasting en schenkingsbelasting is gelijk en kent een ‘dubbele progressie’, want het tarief loopt op naarmate de verkrijger meer erft of geschonken krijgt en naarmate de verwantschap met de schenker of erflater verder verwijderd is. Het verschil zit in de heffingsgrondslag, omdat de vrijstellingen voor de erfbelasting en schenkbelasting verschillen.

Zowel voor de erfbelasting als schenkbelasting is vereist dat de schenker c.q. erflater in Nederland woont. Niet van belang is waar de erfgenaam Erfbelasting en schenkbelastingof degene die een schenking krijgt (‘begiftigde’) woont. In de Successiewet is een fictiebepaling opgenomen waarin bepaald is dat als iemand – ongeacht de nationaliteit – binnen één jaar ná emigratie uit Nederland een schenking doet, deze schenking toch onderworpen is aan Nederlands schenkbelasting, omdat de schenker geacht wordt ten tijde van de schenking in Nederland te hebben gewoond.

In de Successiewet wordt het begrip ‘krachtens erfrecht’ ruim geïnterpreteerd. De wet sluit niet alleen aan bij het civielrechtelijke begrip ‘vererven’, maar kent – teneinde misbruik te voorkomen – een aantal uitbreidingen van het verervingsbegrip (de zogenoemde fictiebepalingen).

Schenkbelasting wordt geheven over al hetgeen door schenking wordt verkregen van iemand die op het tijdstip van schenking in Nederland woonde. Het begrip schenking wordt opgevat overeenkomstig artikel 7:186 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Schenkbelasting is verschuldigd bij ‘iedere handeling uit vrijgevigheid die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht een ander ten koste van zijn eigen vermogen verrijkt’. Vereist is dus verarming bij de schenker en verrijking bij de verkrijger. Door de ruime definitie vallen ook gevallen onder het schenkingsbegrip waarbij naar de vorm geen schenking wordt gedaan, maar er materieel wel sprake is van een bevoordeling. Een klassiek voorbeeld hiervan is de verkoop van de eigen woning aan de kinderen tegen een te lage prijs.

Schenking onder schuldigerkenning

Wanneer een schenking in contanten niet wenselijk is, kan er ook voor worden gekozen om slechts “op papier” bedragen schuldig te erkennen die pas opeisbaar zijn bij het overlijden. Voordeel hiervan is dat de ouder tijdens het leven de beschikking over het vermogen blijft houden. De kinderen kunnen bij het overlijden van de ouder de schuldig erkende bedragen als schuld in de nalatenschap opeisen, waardoor eveneens een besparing aan successierechten wordt gerealiseerd.

Aanslag erfbelasting ten name van onbekende verkrijger

Sinds een door de Hoge Raad in 2004 gewezen arrest waarin de HR uitdrukkelijk heeft beslist dat schenkingsrecht geheven dient te worden van de verkrijger/begiftigde en niet van de schenker wordt door de Inspecteur Successiewet – indien de identiteit van de verkrijger onbekend is – met enige regelmaat indien er gelde ontbreken een aanslag schenkbelasting opgelegd aan een onbekende verkrijger en worden de erven aansprakelijk gesteld voor het betalen van de door die onbekende verkrijger verschuldigde erfbelasting. In een dergelijke situatie wordt veronderstelt dat zonder bevoordelingsbedoeling er geen vermogensverschuiving zou hebben plaatsgevonden. Het is echter de vraag of daarmede de vrijgevigheidsbedoeling is aangetoond. Inmiddels is er duidelijkheid. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft in zijn arrest van 25 maart 2016 namelijk uitdrukkelijk geoordeeld dat voor het in aanmerking nemen van een schenking:

(i)      vast dient te staan wie is verarmt;
(ii)     vast dient te staan bij wie het geldbedrag terechtgekomen is;
(iii)    er dient sprake te zijn van vrijgevigheid.

Kortom: van een schenking kan pas sprake zijn indien het evident is dat er een vrijgevigheidsbedoeling aanwezig was. Naar onze mening volgt uit het vereiste van vrijgevigheid dat er sprake dient te zijn van een wilsbesluit van de schenker waaruit blijkt dat hij/zij bewust en voorzienbaar de bedoeling heeft gehad om een onbekende verkrijger ten koste van zijn/haar eigen vermogen te bevoordelen en te verrijken.

HET TARIEF

Het tarief voor de erfbelasting en schenkbelasting is gelijk en varieert van 10% tot 40%. Het tarief is opgebouwd uit verschillende tariefschijven. De hoogte van het tarief is afhankelijk van de omvang van de schenking of de erfenis en van de verwantschap tussen de overdrager en de verkrijger.

Het tarief kent een ‘dubbele’ progressieve werking:

i. hoe meer iemand erft/geschonken krijgt des te hoger is het procentuele tarief dat over de verkrijging moet worden betaald;

ii. hoe verder verwijderd de verwantschap met de schenker/erflater is, des te hoger zijn de toepasselijke tarieven (c.q. des te hoger is de tariefgroepindeling).

Voorts kent de erfbelasting diverse vrijstellingen. De vrijstellingen zijn lager naarmate de verwantschap tussen de erflater en de verkrijger minder hecht is. De vrijstelling voor de achterblijvende partner (echtgenoot/geregistreerd partner/ notarieel samenwoner) is € 643.194. De vrijstelling van een kind of kleinkind bedraagt € 20.371.

Bij kinderen van 23 jaar of ouder is een drempelvrijstelling van toepassing. Dit betekent dat slechts een successievrijstelling van toepassing is, indien de verkrijging niet méér bedraagt dan de drempel. Indien de drempel wordt overschreden, dan wordt in beginsel de gehele verkrijging belast.

De hoogte van de schenkingsvrijstellingen zijn afhankelijk van de verwantschap tussen de schenker en de verkrijger. De vrijstellingen voor een kind die verkrijgt van haar ouders is € 5.363. Voor kinderen tussen de 18 en 40 jaar geldt een éénmalig verhoogde vrijstelling van € 25.731. De vrijstelling voor de aankoop van een eigen woning is zelfs € 100.800.