Een belastingplichtige moet voldoen aan informatieverzoek van de fiscus. Een verdachte hoeft géén belastende informatie tegen zichzelf te verschaffen. Wat nu als de belastingplichtige ook verdachte is? Volgens de Hoge Raad weegt het belang van de belastingheffing zwaarder dan het zwijgrecht van de verdachte belastingplichtige.

Het is een feit van algemene bekendheid dat er belastingplichtigen zijn die niet bereid zijn om vrijwillig alle informatie die voor een juiste belastingheffing van belang zijn aan de fiscus te verstrekken. Daarom is in de wet bepaald dat iedere belastingplichtige verplicht kan worden om alle gegevens, inlichtingen, boeken en bescheiden die van belang zijn voor de belastingheffing te verstrekken dan wel ter inzage te geven. Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan, volgt de sanctie van de verzwaarde ofwel omgekeerde bewijslast. Dat wil zeggen dat de belastingplichtige zal moeten bewijzen (overtuigend aantonen) dat de door de belastingdienst op grond van schattingen (meestal te hoog) opgelegde aanslag onjuist is.

In dit verband is van belang dat vragen of verzoeken van de belastingdienst tot het verstrekken van bepaalde gegevens en inlichtingen niet hoeven te worden beantwoord/gehonoreerd als die onvoldoende zijn onderbouwd of een zogenoemde ‘fishing expedition’ betreffen. De belastingdienst dient derhalve over voldoende aanknopingspunten te beschikken, respectievelijk aannemelijk te maken dat de belastingplichtige de beschikking heeft over de gevorderde gegevens en inlichtingen of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.

Wat nu als de belastingplichtige tegelijk verdachte is?

In de dagelijkse praktijk wordt vaak de vraag gesteld of een verdachte belastingplichtige verplicht kan worden strafrechtelijk belastende informatie tegen zichzelf aan de belastingdienst te verstrekken, omdat het EHRM reeds in 1996 (Saunders tegen het Verenigd Koninkrijk) inzake het Nemo Tenetur beginsel heeft beslist dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie samenhangt met het zwijgrecht en dat het verbod op zelfincriminatie zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte. De Hoge Raad heeft zich het afgelopen decennium als uitloper van de zogenoemde KB-Lux affaire meerdere maken moeten uitspreken over de samenloop/samenhang tussen de fiscale inlichtingenplicht en het zwijgrecht dat een verdachte belastingplichtige aan artikel 6 EVRM kan ontlenen. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt onmiskenbaar dat de plicht tot het verstrekken van informatie door een verdachte belastingplichtige zwaarder weegt dan het zwijgrecht van de verdachte belastingplichtige, omdat het voldoen aan de informatieverplichting een verplichting betreft in het kader van het vaststellen van de belastingschuld. Daaraan staat artikel 6 van het EVRM niet in de weg.

De Hoge Raad stelt zich op het standpunt dat ‘wilsonafhankelijk materiaal’ ook materiaal dat onder dwang is verkregen kan betreffen, als het maar onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaat. Hieruit volgt dat de kwalificatie van materiaal als ‘wilsonafhankelijk’ dan wel ‘wilsafhankelijk’ – welk onderscheid samenhangt met het zwijgrecht van de betrokkene – is verbonden aan de aard van het materiaal (of het in fysieke zin ‘bestaat’ onafhankelijk van de wil van de betrokkene). Kortom: Het onderscheid tussen wilsafhankelijk materiaal en wilsonafhankelijk materiaal speelt nagenoeg geen rol voor zover het materiaal wordt gevorderd voor de belastingheffing. Voort kan een belastingplichtige in een civiel kort geding onder last van een dwangsom worden veroordeeld al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsonafhankelijk of wilsafhankelijk materiaal.

Duivels dilemma

Vaak zullen de feiten die relevant zijn voor de belastingheffing ook strafrechtelijk van belang zijn, zodat verwacht kan worden dat de fiscus die informatie ook zal gebruiken voor de boeteoplegging of aan het openbaar ministerie ten behoeve van de strafvervolging zal verstrekken. De inlichtingenplicht kan daardoor op gespannen voet komen te staan met het beginsel dat een burger niet mee hoeft te werken aan zijn eigen veroordeling.  Een verdachte belastingplichtige kan door de fiscale inlichtingenplicht dus voor een duivels dilemma komen te staan.

Niet voldoen aan informatieverplichting

Door niet te voldoen aan de inlichtingenplicht, voorkom hij/zij wellicht dat er nadere en/of aanvullend bewijs wordt vergaard om hem/haar stafrechtelijk te kunnen veroordelen. Anderzijds zou de verdachte belastingplichtige daardoor genoodzaakt kunnen worden een te ruime schatting van de enkelvoudige belasting en verzwaarde bewijslast te accepteren.

Wel voldoen aan informatieverplichting

Indien de verdachte belastingplichtige de gevorderde informatie wel verstrekt dan vindt belastingheffing uiteraard plaats op grond van de werkelijke (en dus niet de veronderstelde) feiten. Anderzijds levert de verdachte belastingplichtige mogelijk bewijs voor een strafrechtelijke veroordeling.

Bewijsuitsluiting

In situaties waarin het bestaan van bewijsmateriaal afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige geldt dat de verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden, maar niet mag worden gebruikt, respectievelijk dient te worden uitgesloten als bewijs. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland vooralsnog ontbreekt, zal de rechter in de vereiste waarborgen dienen te voorzien. Het zal dus de strafrechter zijn die moet beoordelen of en in hoeverre, gelet op de omstandigheden waaronder het bewijsmateriaal tot stand is gekomen, het materiaal betreft waarvan in het strafproces géén gebruik mag worden gemaakt.

Afsluitend merk ik op dat zonder een juist en volledig beeld van de relevante feiten de fiscus uiteraard niet in staat zal zijn om het belastbaar inkomen van een belastingplichtige vast te stellen. Informatieverstrekking aan de fiscus is dan ook van wezenlijk belang voor het vaststellen van de daadwerkelijk verschuldigde belasting.