Wanneer is een publieke uiting onrechtmatig?

Het is evident dat wanneer iemands naam in ongunstige, negatieve of beschamende wijze in de publiciteit wordt gebracht die persoon daardoor ernstige reputatie- en prestigeschade kan ondervinden. Als die persoon in verband wordt gebracht met een ondeugdelijke wijze van dienstverlening, kan hij/zij daardoor klandizie verliezen en wellicht zelfs failliet gaan. Immers, de combinatie van de naam en de ongunstige/negatieve omstandigheid kan dit gevolg hebben. Uit de praktijk blijkt dat de twee voornaamste redenen voor het naar buiten brengen van bedoelde, aan een naam gekoppelde, ongunstige/negatieve publiciteit zijn;

  1. het publiek te behoeden respectievelijk te waarschuwen;
  2. het benadelen van de persoon waarvan de naam in een ongunstig daglicht wordt gesteld om daarmee te bereiken dat die persoon wordt gestraft en/of zijn ondeugdelijke wijze staakt dan wel niet herhaalt.

HET  TOETSINGSKADER

In het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en in de Grondwet is de vrijheid van meningsuiting als één van de grondrechten gegarandeerd. Dit betekent echter niet dat de vrijheid van meningsuiting onbegrensd is en dat een beperking van de vrijheid van meningsuiting slechts is toegestaan, indien die beperking bij wet is voorzien. In Nederland is in artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek bepaald dat men niet onrechtmatig mag handelen jegens een ander, zodat bij wet is voorzien in een inperking. Wel dient een inperking van de vrijheid van meningsuiting ter bescherming van bepaalde belangen (zoals iemands goede naam of privacy) volgens het Europees Hof proportioneel en noodzakelijk te zijn.

Onrechtmatige uiting

BOTSENDE GRONDRECHTEN

In een situatie waarin meer EVRM-/grondrechten in het geding zijn, is uitgangspunt dat aan het ene hoogwaardige recht/belang niet uit zichzelf voorrang toekomt boven het andere. Op basis van een afweging van de relevante omstandigheden van het betrokken geval dient de rechter – aan de hand van de eisen van de noodzaak en proportionaliteit – vast te stellen ten aanzien van welk recht een inbreuk moet worden aanvaard en in welke mate die inbreuk toelaatbaar is te achten. Bij het bepalen van de omstandigheden die relevant zijn en van het gewicht dat aan hen is toe te kennen, spelen de regels en richtlijnen, die het EHRM met betrekking tot de artikelen 8 en 10 EVRM heeft ontwikkeld, een belangrijke rol. Grondrechten kunnen dus worden beperkt, zij het dat voor die beperking vaak wel weer bijzondere regels en voorwaarden worden gesteld. Bovendien vinden rechten doorgaans hun grens waar de rechten van anderen beginnen. Een uiting kan daardoor dus onrechtmatig zijn. Dit kan o.a. het geval zijn omdat iemands eer of goede naam erdoor wordt aangetast, of doordat iemands privacy wordt geschaad.

Bij de te maken belangenafweging staan twee belangen tegenover elkaar; enerzijds het belang dat een betrokkene – degene over wie wordt gepubliceerd – om door publicaties niet te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen (dus ongewenste negatieve publiciteit), anderzijds de uitingsvrijheid of de vrijheid om bepaalde misstanden aan de kaak te stellen. Er bestaat geen rangorde tussen de grondrechten. Welke het zwaarste weegt, hangt af van de omstandigheden van het geval.Volgens de jurisprudentie mogen meegewogen worden:

  1. de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben;
  2. de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen;
  3. de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;
  4. de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a – c genoemde factoren;
  5. de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie via de pers, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op succes bereikt had kunnen worden;
  6. een mogelijke beperking van het door de perspublicatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen.

Aard van de publicatie

De publicatie kan ernstige of minder ernstige verdachtmakingen, beschuldigingen of onjuiste dan wel onvolledige feiten of suggesties bevatten. Het is de vraag of de belangen van de betrokkene daardoor op ernstige wijze worden aangetast. Niet alleen aantasting van de eer of goede naam, maar ook de geloofwaardigheid, integriteit of reputatie van een betrokkene kan worden geschaad. Dat kan aanleiding zijn om de publicatie als onrechtmatig te kwalificeren. Dat geldt temeer indien de publicatie voor de betrokkene verstrekkende schadelijke gevolgen kan hebben zoals reputatie- en prestigeschade en daarmede financiële schade. Ook meningen in een publicatie die in hoge mate onjuist of onvolledig zijn kunnen onder omstandigheden onrechtmatig zijn. Ten aanzien van de kwalificatie van een samenstel van omstandigheden is volgens de Hoge Raad (Vereniging tegen de kwakzalverij/Sickesz; 15 mei 2009) vereist dat de inbreukpleger zich bewust was van de betekenis, de strekking en reikwijdte van de desbetreffende kwalificatie. Uit het arrest blijkt dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een uiting de specifieke betekenis die aan de desbetreffende uiting in het maatschappelijk verkeer wordt toegekend bepalend en doorslaggevend is. Daarbij is van belang dat een veronderstelling of het subjectieve inzicht van een bepaalde persoon niet altijd in overeenstemming zal zijn met de objectieve weergave van een vaststaand feit. Kortom: een veronderstelling of subjectief inzicht mag nimmer als een vaststaand feit gepresenteerd worden. Bovendien vereist het verbinden van een kwalificatie aan een samenstel van omstandigheden besef omtrent de betekenis, de strekking en reikwijdte van die desbetreffende kwalificatie.

Misstanden

Welke misstanden mogen aan de kaak worden gesteld? Bij het bepalen van het gewicht dat in een concreet geval dient te worden toegekend aan het ene artikel ten opzichte van het andere, speelt het doel dat met het uitdragen en bekend maken van feiten en/of meningen wordt nagestreefd, een belangrijke rol. Worden feiten en/of meningen bekend gemaakt met het doel daarmee een bijdrage te leveren aan een discussie over een situatie of een gebeuren, waarvan het wenselijk is dat die situatie of dat gebeuren het voorwerp van een publiek debat kan zijn, dan kan dat aanleiding geven om aan artikel 10 meer gewicht toe te kennen. Wanneer daarentegen het bekend maken van feiten en/of meningen niet kan worden beschouwd als van betekenis voor het debat over een aangelegenheid van publiek belang, dan biedt dat de ruimte om het respecteren van de persoonlijke levenssfeer zwaarder te laten wegen.

Indien een groot algemeen belang is gediend met het aan de kaak stellen van een bepaalde misstand, of het blootleggen van gesjoemel, fraude of andere verdachte praktijken, kan dat een aanwijzing zijn dat de publicatie daarover eerder gerechtvaardigd is, maar dat hoeft niet zo te zijn. Andersom geldt dat bij roddel en achterklap, een algemeen belang niet altijd gediend wordt. Als het beoogde belang ook op een voor de betrokkene minder schadelijke wijze kan worden bereikt, dient dat onder omstandigheden meegenomen te worden in de beoordeling (zie hierboven, sub e). Wat nu als een persoon in zijn hoedanigheid als “public watchdog” meent een ernstige en zware strafbare verdenking jegens een persoon op het internet te moeten plaatsen. Als de desbetreffende publicatie zich richt op een breed publiek met als doelstelling misstanden in de pers aan de kaak te stellen, is hiermede de publicatie op één lijn te stellen met een perspublicatie, hetgeen van belang is voor de in de ter zake aan te leggen toetsingsmaatstaf. Daarbij is van belang dat het plaatsen van een ernstige en zware strafbare verdenking op diverse internetsites waardoor een persoon bij voorbaat publiekelijk wordt veroordeeld “trial by media” impliceert.

Feitenmateriaal

Met het vereiste van de mate waarin de verdenking steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal wordt aangegeven, dat de aangevoerde omstandigheden objectief, controleerbaar en verifieerbaar dienen te zijn. Het objectieve criterium “de mate waarin” vormt een “minimum” vereiste waaraan de aangevoerde omstandigheden moeten voldoen, om een bepaalde uiting te kunnen rechtvaardigen. Het is vaste rechtspraak van ons hoogste rechtscollege (de Hoge Raad) dat onrechtmatigheid van een uitlating onder andere beoordeeld dient te worden naar de mate waarin ten tijde van een negatieve of beschamende publicatie daarvoor voldoende steun te vinden is in het beschikbare feitenmateriaal. De mate waarin uitlatingen steun vinden in de feiten, is een belangrijke toets voor de vraag of een publicatie mag of niet. Een verbod op publicatie van (kranten- of tijdschrift) artikelen en boeken of een online bericht zal eerder mogelijk zijn, indien voor bepaalde beweringen geen of onvoldoende steun is te vinden in de feiten. De eis die in het strafrecht geldt, namelijk dat er ‘wettig en overtuigend’ bewijs moet zijn geleverd, geldt echter niet in civiele procedures. De vraag is steeds of hetgeen wordt gesteld of gesuggereerd in de berichtgeving voldoende feitelijke basis heeft. De juistheid van de feiten hoeft dan ook niet steeds onomstotelijk komen vast te staan. Deze regels gelden in beginsel ook voor beweerdelijk onterechte beschuldigingen, of grievende uitingen. Voor wat betreft de vraag of de feiten steeds volledig moeten zijn weergegeven, geldt dat daarbij niet altijd alle nuances hoeven te worden vermeld. Echter, indien zeer belangrijke feiten (bewust) worden weggelaten, zal er in beginsel eerder sprake zijn van een onrechtmatige daad.

Onderzoeksplicht

Een publicist heeft een onderzoeksplicht. Naarmate een gepubliceerde beschuldiging ernstiger is, zullen hogere eisen worden gesteld aan de plicht om de feiten te onderzoeken. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de aard van het medium waarin de beschuldiging is gepubliceerd. Zo wordt er rekening gehouden met de snelheid waarbij met name in de dagbladjournalistiek gewerkt moet worden. Omgekeerd worden aan een wetenschappelijke publicatie juist strengere eisen gesteld. Hoe ver strekt de in acht te nemen zorgvuldigheid? Moet eerst een onderzoek naar de feiten worden ingesteld? Kan een onderzoek achterwege blijven? Al deze vragen zijn van belang bij de beantwoording van de toelaatbaarheid van een bepaalde mededeling aan het publiek. In beginsel gaat de onderzoeksplicht minder ver indien men uit betrouwbare of gezaghebbende bronnen kan putten. Echter, hoe ernstiger de uitlatingen zijn, hoe eerder een onderzoeksplicht mag worden aangenomen. Het hangt er dus sterk vanaf welke bronnen er worden gebruikt of naar welk ‘bewijs’ wordt verwezen in de berichtgeving. In het algemeen geldt dan, dat als het gaat om zaken van publiek belang in beginsel geen nader onderzoek vereist is. Ook verklaringen die voorkomen in een strafdossier kunnen een journalist ontslaan van zijn verdere onderzoeksplicht, zelfs als degene die de verklaring heeft afgelegd er later op teruggekomen is.

Inkleding uiting

In de belangenafweging kan ook betrokken worden de inkleding van de verdenkingen, zulks bezien in verhouding tot de aard van de verdenkingen, de ernst van de misstand en de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal. In dit kader wordt veelal gebruikt van de term “onnodig grievend”. Het feit dat een uitlating onnodig grievend is kan deze onrechtmatig maken, ook wanneer de overige omstandigheden niet tot onrechtmatigheid aanleiding zouden geven. Er is een onmiskenbaar onderscheid tussen het enerzijds weergeven van feiten en anderzijds een mening. Het uiten van een mening, ook die van een ander, is sneller (zonder onderzoeksplicht, zie hierna) toegestaan, met name indien duidelijk is van wie de mening afkomstig is en waarop die zienswijze is gebaseerd. Echter, ook meningen en waardeoordelen kunnen inbreuk maken op iemands persoonlijke levenssfeer. Het onderscheid tussen enerzijds feiten en anderzijds meningen is van belang omdat bij feitelijke beweringen geëist kan worden dat men de juistheid of minstens de aannemelijkheid ervan kan aantonen. De aard en het karakter van het verspreidende medium en de werkwijze daarvan mogen ook mee beoordeeld worden. Zo kan meespelen dat het gekozen medium een groter (en dus naar het oordeel van de betrokkene) schadelijker bereik heeft. De Hoge Raad heeft voorts uitdrukkelijk bevestigt dat ook een uiting die louter als een waardeoordeel moet worden beschouwd onrechtmatig is, indien hierin feitelijke beschuldigingen worden geuit, waaraan elke feitelijke basis ontbreekt. Sterker nog: de beleving en perceptie van degene die een uiting plaatst is niet relevant.

Publieke figuur

Bij de afweging van de belangen mag de rechter ook rekening houden met de bekendheid van de klager. Dit hangt samen met de vraag of er voldoende steun bestaat voor de berichtgeving in de feiten. Indien men bijvoorbeeld (tot op zekere hoogte) een bekend figuur is, ook in verband met de aard en het onderwerp van de publicatie, kan verlangd worden dat men ‘een dikkere huid’ heeft. Dat geldt zeker indien men, aangaande de feiten waarover gepubliceerd wordt, al eerder (in verschillende media) in verband is gebracht met dezelfde of vergelijkbare kwesties. Kortom: publieke figuren zullen zich meer moeten laten welgevallen dan privépersonen. Echter, ook een “public figure” hoeft zich niet alles te laten welgevallen.

Hoor en wederhoor

Of hoor- en wederhoor moet worden toegepast, hangt af van de omstandigheden van het geval. Soms is wederhoor geboden, soms is reeds voldoende gelegenheid geboden tot het geven van een weerwoord, maar daarvan geen gebruik gemaakt. Wat redelijk is, hangt ook sterk samen met de aard van de publicatie. Het kan ook meewegen bij de vraag of de publicatie zorgvuldig is tot stand gekomen.

Kort geding

Indien een publicatie onrechtmatig is, kan daarop in een kortgeding procedure een verbod worden gevorderd of om een rectificatie worden verzocht. Vorderingen tot verwijdering of vernietiging van materiaal – ook op internet en social media – is onder omstandigheden ook mogelijk in zo’n proces. Er kunnen ook dwangsommen gevorderd worden. Schadevergoeding, immateriële schade of smartengeld behoort eveneens tot de mogelijkheden. Ten slotte is het mogelijk om een klachtprocedure bij de Raad voor de Journalistiek te starten.

Meer weten? Bel of stuur een e-mail