Het is betrekkelijk eenvoudig om een besloten vennootschap te liquideren als de vennootschap niet (langer) over baten beschikt. Daarvoor is een besluit van de vergadering van aandeelhouders tot ontbinding van de vennootschap voldoende. Door dit besluit houdt de vennootschap direct op te bestaan. Vervolgens kan de liquidatie van de vennootschap in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel worden ingeschreven. In de dagelijkse praktijk wordt daarom gesproken van een turboliquidatie. Het voordeel van een turboliquidatie is dat de vennootschap snel kan worden afgewikkeld, dat er géén vereffening nodig is en er geen curator bij de liquidatie betrokken behoeft te worden. De procedure van de turboliquidatie is derhalve, in tegenstelling tot een faillissement, niet transparant omdat er geen curator wordt benoemd die belast is met het onderzoek naar de aanwezigheid van een vermogen van de schuldenaar of naar de verwachting dat binnen afzienbare tijd zulk een vermogen aanwezig zal zijn (bv. een vordering op de bestuurder of aandeelhouder wegens het onttrekken van middelen aan de vennootschap voor persoonlijke doeleinden).
Schuldeisers hebben in het geval van een turboliquidatie meestal het nakijken omdat het voor hen simpelweg wegens gebrek aan bewijs niet vast te stellen is of het bestuur van de vennootschap voorafgaand aan de turboliquidatie wel behoorlijk heeft gehandeld. Een schuldeiser kan het faillissement van de vennootschap aanvragen, maar daarvoor is vereist dat hij een steunvordering heeft. Bovendien zal de schuldeiser voldoende aannemelijk moeten maken dat er een nog een (potentiële) bate is of was (bv. een vordering op de bestuurder/aandeelhouder). Daarom is in het geval van een turboliquidatie van belang dat schuldeisers de mogelijkheid hebben om de (voormalig) bestuurders voor het onbetaald en onverhaalbaar blijven van hun vordering aansprakelijk wegens onrechtmatige daad aansprakelijk te stellen, mits er sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt. Ik heb in een eerder op LinkedIn gepubliceerd artikel reeds aangegeven dat het antwoord op de vraag of de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden, afhankelijk is van de aard en de ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering is volgens vaste rechtspraak (vrij vertaald) aansprakelijkstelling mogelijk indien de bestuurder betaling en verhaal heeft gefrustreerd.
Er is sprake van een ernstig verwijt indien een redelijk handelend en ervaren bestuurder in dezelfde omstandigheden van de gewraakte beslissing had afgezien. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat kennelijk onbehoorlijk bestuur steeds onverantwoordelijkheid, onbezonnenheid, roekeloos handelen impliceert. Kortom: dingen die een behoorlijk bestuurder niet zou doen. Als onbehoorlijk bestuur wordt in elk geval aangemerkt het onttrekken van gelden van de vennootschap voor persoonlijke doeleinden, omdat het onttrekken van middelen aan een vennootschap, door daarover te beschikken als ware het privé vermogen, als een bewuste en voorzienbare benadeling van de schuldeisers wordt aangemerkt. Verder blijkt uit vaste jurisprudentie dat van een “ernstig verwijt” in elk geval sprake is indien een bestuurder met “opzet of bewuste roekeloosheid” handelt als gevolg waarvan de crediteuren van een vennootschap worden benadeeld. In de rechtspraak wordt ook aangenomen dat van door een bestuurder bewerkstelligde en/of toegelaten handelwijze waarvan hem een persoonlijk ernstig verwijt gemaakt kan worden eveneens sprake is, indien voorzienbaar is dat een vennootschap haar verplichting tot afdracht en doorbetaling van specifieke ontvangsten niet zal nakomen en geen verhaal zal bieden, doordat de bestuurder de desbetreffende ontvangsten voor de bedrijfsvoering van de vennootschap en voor privé doeleinden heeft aangewend.
Ter zake is voorts van belang dat een behoorlijk handelende bestuurder van een vennootschap die in financieel zwaar weer is komen te verkeren zich dient te realiseren dat op een bepaald moment het belang van de schuldeiser gaat prevaleren boven het belang van de vennootschap, zodat het onverantwoord is om nieuwe verplichtingen aan te gaan. Daarvan is in elk geval sprake als redelijkerwijs voorzienbaar is dat de vennootschap de nieuwe verplichtingen niet zal kunnen nakomen, zodat extra voorzichtigheid geboden is. Hoewel selectieve betaling van crediteuren in beginsel is toegestaan, verandert dit op het moment dat duidelijk wordt dat de vennootschap uiteindelijk niet meer in staat is om haar schulden te voldoen. In dat geval zal de wettelijke rangorde van schuldeisers moeten worden aangehouden en zal het er onder de concurrente crediteuren naar hun aandeel moeten worden verdeeld (paritas creditorum). Er kan in die situatie geen rechtvaardiging zijn voor het feit dat een bepaalde schuldeiser niet wordt betaald terwijl andere schuldeisers wél zijn betaald, of zullen worden betaald.

Het moge duidelijk zijn dat aan het besluit tot een turboliquidatie voor bestuurders nogal wat risico’s kleven. Het is daarom belangrijk dat, als u plannen heeft voor een turboliquidatie, u zich daar van tevoren goed over laat adviseren door een ter zake deskundige advocaat/jurist, omdat die een juiste inschatting kan maken van eventuele risico’s en u kan adviseren op welke wijze die risico’s eventueel voorkomen of ingeperkt kunnen worden!