Wanneer is sprake van meer dan normaal vermogensbeheer?

Uit de praktijk blijkt dat beleggers in vastgoed er zijn in vele soorten en maten. Van het verhuren van de  eigen woning tot het exploiteren van een heuse portefeuille. Voor particulieren is de hoofdregel dat exploitatie van vastgoed beleggen is, net zoals en vergelijkbaar met een effectenportefeuille of een spaarrekening. Wanneer een particulier een pand verhuurt als belegging (het niet op professionele wijze verhuren van woningen), dan is de hoofdregel belastingheffing in Box 3. Voor een particulier/niet ondernemer is belastingheffing in Box 3 vanwege de forfaitaire rendementsregeling van Box 3 aantrekkelijk omdat niet de werkelijke huurinkomsten belast worden.

VastgoedexploitatieUit constante jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat een door een belastingplichtige verrichte activiteiten betreffende het beheer van vermogen primair in de persoonlijke sfeer liggen. Normaal vermogensbeheer kan worden omschreven als activiteiten die in redelijkheid worden verricht teneinde een vermogen zo optimaal mogelijk te laten renderen en die gebruikelijk zijn voor iemand met een ander beroep of functie die echter overigens in dezelfde maatschappelijke vergelijkbare omstandigheden verkeert als de belastingplichtige. Indien het beheer van het vastgoed volledig is uitbesteed aan een externe partij, en de eigenaar zijn/haar activiteiten beperkt tot het in ontvangst nemen van de maandelijkse huurafrekening, heeft het weinig weg van een onderneming.

Maar wat als de eigenaar wel actief is?

Als de eigenaar bijvoorbeeld zelf (of met eigen personeel) de huren incasseert, het onderhoud organiseert (en wellicht ook deels zelf verricht), huurders zoekt en koop-of verkooptransacties regelt? Dan heeft het beheer van de portefeuille al veel meer het karakter van een bedrijfsmatige activiteit en is de vraag of er wellicht sprake is van het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel aan een werkzaamheid als bedoeld in artikel 3:91, lid 1, onder c van de Wet IB 2001. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het uitponden van onroerende zaken niet zonder meer leidt tot belastbare arbeidsinkomsten. Van belastbare arbeidsinkomsten is wel sprake indien de uitponding gepaard gaat met werkzaamheden die naar hun aard en omvang onmiskenbaar zijn gericht op het behalen van – redelijkerwijs te verwachten – voordelen die het bij normaal actief vermogensbeheer te verwachten rendement te boven gaan. Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis dat indien bijzondere kennis in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het behalen van het voordeel die omstandigheid eveneens als uitponding wordt aangemerkt en er dus sprake is van belastbare arbeidsinkomsten.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat er pas dan sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer, indien de door belastingplichtige verrichte activiteiten in totale omvang substantieel meer bedragen dan een vergelijkbare derde met een ander beroep of functie, maar die overigens in dezelfde maatschappelijke vergelijkbare omstandigheden verkeert als de belastingplichtige, zou hebben verricht, ofwel een gebruikelijkheidstoets.  Met ander woorden de door belastingplichtige verrichte activiteiten mogen in hun totale omvang niet overtreffen hetgeen gebruikelijk is. De bedoeling van dit criterium is dat getoetst wordt welke activiteiten door een belastingplichtige met dezelfde maatschappelijke status plegen te worden verricht. De activiteiten van de belastingplichtige worden vergeleken met de activiteiten van een belegger die het behartigen van zijn belangen bij een vermogensbeheerder heeft ondergebracht (referentiegroep). Kortom: bij de gebruikelijkheidstoets is derhalve van belang de omvang van de door belastingplichtige verrichte activiteiten op het terrein van vermogensbeheer. In wezen is er dus sprake van een dubbele vraag: in de eerste plaats een vraag naar de mate waarin beheersactiviteiten worden ontplooid en in de tweede plaats naar het niveau van de beheersactiviteiten. Is de omvang min of meer gelijk dan is er sprake van normaal vermogensbeheer. Als een belastingplichtige meer activiteiten dan gebruikelijk ontplooid, dan is er sprake van meer dan normaal vermogensbeheer.

Indien vaststaat dat een belastingplichtige werkzaamheden in het economische verkeer verricht en dat hij/zij met deze werkzaamheden een voordeel heeft beoogd dat dient de vraag te worden beantwoordt of het voordeel ook redelijkerwijs te verwachten viel. Indien dat het geval is dient op basis van de feiten en de overige relevante omstandigheden te worden vastgesteld of de belastingplichtige als ondernemer kan/moet worden aangemerkt, respectievelijk resultaat uit overige werkzaamheid heeft genoten.

Meer weten? Bel of stuur een e-mail!