Terbeschikkingstellingsregeling is een anti misbruikbepaling.

Indien een particulier vermogensbestanddelen bezit die geen deel uitmaken van het verplicht vermogen van een onderneming, dan vormen deze vermogensbestanddelen voor de inkomstenbelasting meestal onderdeel van het in Box 3 (voordelen uit sparen en beleggen) aan te geven vermogen. In Box 3 worden de voordelen uit sparen en beleggen belast. Echter, niet het werkelijk behaalde rendement, maar een op forfaitaire wijze te bepalen inkomen wordt belast. Box 3 kent voor de berekening van de hoogte van het aan te geven fictief rendement 3 schijven en is voorts gebaseerd op de veronderstelling dat een belastingplichtige een hoger rendement behaalt op zijn vermogen naarmate hij/zij meer vermogen heeft en dat bij een substantieel vermogen meer zal worden belegd dan zal worden gespaard. Na aftrek van een vrijstelling wordt ervan uitgegaan dat dat vermogen een fictief rendement oplevert dat varieert van 2,02% tot 5,38%. Daarover is 30% inkomstenbelasting verschuldigd. Verder is de waardeontwikkeling van het vermogensbestanddeel onbelast.

Het ontstaan van de terbeschikkingstellingsregeling hangt nauw samen met de introductie van de forfaitaire vermogensrendementsheffing in Box 3 in de Wet IB 2001. Hetgeen destijds een novum was. De introductie van Box 3 in de Wet IB 2001 stelde de wetgever voor een probleem: zonder nadere regeling zou de aanmerkelijkbelanghouder (lees: de DGA) grote mogelijkheden krijgen om te ‘manipuleren’ met zijn BV. Onder de oude Wet IB 1964 werd het inkomen uit vermogen bepaald volgens het reële stelsel: de ‘werkelijke’ inkomsten uit vermogen werden belast. In dit stelsel werd een onderscheid gemaakt tussen inkomsten getrokken uit de bron (bijvoorbeeld de huuropbrengsten van aan een derde verhuurd pand) en mutaties van de bron zelf (bijvoorbeeld de verkoopwinst bij verkoop van een verhuurd pand). De inkomsten uit de bron werden tegen progressief IB-tarief (maximaal 72%) belast, terwijl de vermogensmutaties onbelast waren (lees: belastingvrij). Daarom was in het verleden het advies altijd om het bedrijfspand buiten de BV te houden en vanuit privé aan de BV te verhuren. De zakelijke huur zou dan vanwege het totaalwinstbegrip gewoon aftrekbaar zijn van de winst van de BV, terwijl in privé alleen de ontvangen huur na aftrek van kosten werd belast. Verder kon op die wijze de waardevermeerdering van het pand bij verkoop onbelast worden gerealiseerd. Deze handelwijze werd door de wetgever maatschappelijk ongewenst geacht.

De wetgever heeft door invoering van de TBS-regeling het verschil willen wegnemen tussen de DGA  die een pand verhuurt aan zijn BV en de IB-ondernemer die een eigen bedrijfspand heeft, dat behoort tot zijn ondernemingsvermogen. De TBS-regeling werd ingevoerd om gekunstelde “aan-jezelf-verhuur-constructies” te voorkomen. Immers, een ondernemer zou zonder de TBS-regeling enerzijds wel de kosten voor gebruik van het ter beschikking gestelde, bijvoorbeeld de betaalde verbruiksvergoeding voor huur van een pand, ten volle in mindering zouden kunnen brengen op de ondernemingswinst, terwijl anderzijds de baten/huurinkomsten in privé slechts belast zijn tegen het milde tarief van Box 3. Door het verschil in tarieven en heffingsgrondslag is boxenarbitrage mogelijk, hetgeen door de wetgever onwenselijk werd geacht. De TBS-regeling is dan ook een anti-misbruikmaatregel die ten doel heeft boxenarbitrage (ofwel box-hopping) tussen de verschillende boxen te voorkomen en het streven naar een beter evenwicht in de fiscale behandeling tussen enerzijds ondernemers in de inkomstenbelasting en anderzijds AB-houders.

Als gevolg van de TBS-regeling is voor de bepaling van de belastbare winst in beginsel geen onderscheid meer tussen BV en privé. Zowel in de vennootschapsbelasting als onder de TBS-regeling wordt het resultaat immers op basis van het winstregime bepaald. Wel is er marginaal verschil in de belastingtarieven: in privé geldt een belastingdruk van maximaal 45,72% (51,95% x [100 -/- 12]) aan inkomstenbelasting in Box 1, terwijl in het geval van een BV sprake is van een gecombineerde en cumulatieve belastingdruk van 40% aan vennootschapsbelasting en aanmerkelijkbelangheffing.

Uit de dagelijkse praktijk blijkt dat het thans de voorkeur geniet om toepassing van de TBS-regeling te voorkomen en het bedrijfspand binnen de BV-structuur aan te schaffen. Behalve de relatief lagere heeft aanschaf in privé namelijk een liquiditeitsnadeel. De huurbate zal in privé op basis van de TBS-vrijstelling van 12% weliswaar belast zijn tegen een belastingdruk van 45,72% (51,95% x [100 -/- 12]), maar de huurlast is slechts direct aftrekbaar tegen het tarief vennootschapsbelasting van maximaal 25,5%. Behalve de lagere belastingdruk biedt de BV vaak de mogelijkheid om de  AB-heffing naar de toekomst uit te stellen. De AB-heffing is daadwerkelijk pas verschuldigd bij verkoop van de aandelen of liquidatie van de BV, een moment dat in de praktijk doorgaans vaak in de verre toekomst ligt.